Als God alomtegenwoordig is, wat is er dan bijzonder aan het zijn in de tegenwoordigheid van God?
Dit is een vraag die reikt tot in een van de diepste paradoxen in de Schrift. God is overal — toch spreekt de Schrift consequent over het zijn "in Zijn tegenwoordigheid" als iets bijzonders, een voorrecht om te zoeken en van te genieten, of voor het schuldige geweten, iets om van weg te vluchten. Er zijn in feite twee verschillende zaken in het spel: Gods essentiële alomtegenwoordigheid en Zijn relationele of manifeste tegenwoordigheid.